Schotelantenne uitrichten: handleiding in 10 stappen
Laatst bijgewerkt:
Een schotelantenne uitrichten is geen hogere wiskunde, maar het vergeeft geen slordigheid. De geostationaire satelliet staat op ongeveer 35.786 km boven de evenaar – een halve graad ernaast en het signaal valt weg. Daarom struikelen de meeste doe-het-zelfmontages niet over de techniek, maar over drie kleinigheden: een mast die niet loodrecht staat, een verkeerd begrepen elevatiewaarde en de vergeten magnetische declinatie.
Deze handleiding volgt de volgorde waarin het werk werkelijk gebeurt – van de plek tot de waterdichte kabelverbinding. De hoeken voor jouw exacte adres bereken je het snelst met SatFinder; de tabel verderop laat zien in welk bereik ze in de Lage Landen liggen.
Wat je nodig hebt
- Steek- of ratelsleutels 10, 13 en 17 mm, afhankelijk van de beugel
- Waterpas, bij voorkeur een korte torpedowaterpas voor de mast
- Kompas of smartphone met kompas-app
- Satmeter (satfinder) of een ontvanger met signaalweergave bij de schotel
- Coaxkabel 75 Ω, dubbel afgeschermd, en F-connectoren passend bij de diameter
- Striptang of mes, zijkniptang
- Zelfvulkaniserende tape voor de buitenverbinding
- Een tweede persoon die de meter afleest terwijl jij draait
1. Kies een plek met vrij zicht op de satelliet
Vanuit Nederland en Vlaanderen staat de satelliet in het zuiden en vrij laag: rond de 29° elevatie. Alles wat in die richting boven de zichtlijn uitkomt blokkeert de ontvangst: bomen, buurpanden, dakoverstekken, schoorstenen.
Ga op de geplande montageplek staan en kijk naar het zuiden. Schat de hoek: 29° elevatie is ongeveer een derde van de afstand tussen horizon en zenit. Staat daar iets in de weg, dan helpt noch een grotere schotel noch een betere LNB – de plek is ongeschikt.
Bomen zijn de klassieke fout: in de winter zonder blad werkt alles, in mei valt het signaal weg. Beoordeel de boom in vol blad en tel bij jonge bomen een paar jaar groei op.
2. Monteer de mast – en zet hem exact loodrecht
Deze stap wordt het vaakst onderschat en straft het hardst af. De azimutschaal op de beugel gaat ervan uit dat de schotel om een verticale as draait. Staat de mast scheef, dan verandert elke draaiing ook de elevatie – je jaagt dan twee hoeken tegelijk na en vindt de satelliet hooguit bij toeval.
Zet de waterpas in twee richtingen met 90° verschil tegen de mast en stel bij tot de bel in beide richtingen midden staat. Draai pas dan de muurbeugel definitief vast en controleer daarna nogmaals – pluggen zetten zich bij het aandraaien.
De mast moet bovendien stijf zijn. Een buis die bij wind een graad beweegt, levert in de winter gegarandeerd beelduitval op.
3. Bepaal azimut, elevatie en skew voor je locatie
Drie hoeken beschrijven de uitrichting volledig. De azimut is de kompasrichting in graden, gemeten vanaf noord (0°) via oost (90°) naar zuid (180°). De elevatie is de hoek boven de horizon. De skew geeft aan hoeveel de LNB in de houder gedraaid moet worden zodat het polarisatievlak klopt.
Alle drie hangen af van je locatie en de positie van de satelliet. Voor Astra 19,2° Oost – de satelliet achter onder meer Canal Digitaal en de Duitse zenders – liggen de waarden in dit bereik:
| Plaats | Azimut | Elevatie | Skew |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | 162,2° | 28,6° | 9,5° |
| Rotterdam | 161,5° | 29,0° | 10,0° |
| Antwerpen | 161,3° | 29,7° | 10,4° |
4. Houd rekening met de magnetische declinatie
Hier gaan veel montages mis zonder dat de oorzaak duidelijk wordt. Berekende azimutwaarden zijn geografisch: ze verwijzen naar de geografische noordpool. Een kompas wijst echter naar de magnetische noordpool, en die verplaatst zich. Het verschil heet magnetische declinatie.
In Nederland en België ligt die momenteel rond 1° tot 2° oost. Een kompas wijst dus een paar graden ernaast, en bij een schotel van 80 cm is dat al een flink deel van het bruikbare venster.
Reken de geografische azimut om naar een magnetische (magnetische azimut = geografische azimut − oostelijke declinatie), of gebruik een hulpmiddel dat beide geeft. SatFinder toont geografische en magnetische azimut apart en leidt de declinatie voor jouw coördinaten af uit het World Magnetic Model.
5. Stel de elevatie in – let op bij offsetschotels
Vrijwel alle schotels voor thuis zijn offsetantennes: de LNB zit niet midden voor de spiegel maar op een arm eronder. Daardoor staat de spiegel veel steiler dan de ontvangsthoek doet vermoeden.
En daar zit de valkuil: bij de meeste modellen is de gradenschaal op de beugel al gekalibreerd op de offsethoek. Je stelt daar dus de berekende elevatiewaarde in – niet de fysieke helling die je met een waterpas langs de rand zou meten. Bij 29° elevatie staat de spiegel zichtbaar veel steiler, vaak bijna verticaal. Dat hoort zo.
Staat in de handleiding van jouw schotel uitdrukkelijk dat de offsethoek (meestal 20° tot 27°) afgetrokken moet worden, volg dan die opgave. Bij twijfel: schaal op de berekende elevatie zetten, handvast aandraaien en met de meter verifiëren.
Stel de elevatie vóór de azimut in en zet hem vast. Twee assen tegelijk zoeken duurt vele malen langer.
6. Stel de azimut in: langzaam zwenken in plaats van zoeken
Draai de bouten van de mastklem net zo ver los dat de schotel met lichte weerstand draait – hij moet blijven staan waar je hem loslaat. Zet hem grofweg op de berekende (magnetische) azimut.
Zwenk daarna in heel kleine stappen: één tot twee graden, dan drie tot vijf seconden wachten. Ontvanger en meter hebben die tijd nodig om op het signaal in te haken. Wie vlot doorzwenkt, gaat langs de satelliet zonder dat het apparaat ooit reageert – de meest voorkomende reden voor urenlang vruchteloos zoeken.
Doorzoek ongeveer ±10° rond de berekende waarde. Vind je daar niets, dan klopt er bijna altijd iets fundamenteels niet: elevatie verwisseld, declinatie genegeerd, of de kabel voert geen spanning naar de LNB.
7. Stel de LNB-skew in
De LNB scheidt horizontaal en verticaal gepolariseerde signalen. Omdat jouw locatie zijdelings van de lengtegraad van de satelliet ligt, lijkt het polarisatievlak vanuit jouw positie gedraaid – precies over die hoek moet de LNB in de houder worden nagedraaid.
De meeste LNB-houders hebben daarvoor een kleine gradenschaal. Draai de klemschroef los, draai de LNB naar de berekende skew-waarde en zet weer vast. Positieve waarden betekenen doorgaans een draaiing met de klok mee, gezien van achter de LNB; bij twijfel volg je de schaal van je eigen houder.
In de Lage Landen ligt de skew rond 9° tot 11°. Klein, maar niet verwaarloosbaar: een verkeerde skew laat de tegenovergestelde polarisatie doorlekken en bepaalt of de signaalkwaliteit op 70 % of op 90 % uitkomt.
8. Fijnafstelling: optimaliseer op kwaliteit, niet op sterkte
Meters en ontvangers tonen twee waarden, en die betekenen iets verschillends. De signaalsterkte is in wezen het niveau dat op de ingang aankomt – die stijgt ook als je ruis ontvangt. De signaalkwaliteit (vaak SNR of MER) beschrijft hoe schoon het signaal te decoderen is. Alleen die waarde telt.
Werk as voor as: zwenk de azimut in millimeterstappen tot de kwaliteit haar maximum bereikt, zet vast. Doe hetzelfde met de elevatie, daarna met de skew. Controleer vervolgens azimut en elevatie nog eens – het aandraaien verschuift de instelling bijna altijd een beetje.
Mik op het plateau, niet op de piek. Zoek de twee punten waar de kwaliteit links en rechts begint te dalen en zet de schotel er precies tussenin. Zo houd je de maximale reserve voor regen, sneeuw en windbeweging – precies de reserve die in het najaar uitval voorkomt.
Draai tot slot alles met gevoel vast en lees de kwaliteit nog een keer af.
9. Kabel, F-connectoren en waterdichtheid
Een perfect uitgerichte schotel heeft geen zin als de kabel water trekt. Gebruik dubbel afgeschermde 75 Ω-coax en F-connectoren die bij de diameter passen – een te grote connector sluit nooit af.
Bij het monteren: buitenmantel strippen, de vlecht netjes naar achteren omvouwen, de folie verwijderen, het diëlektricum afsnijden. De binnenader moet ongeveer 2 mm uit de connector steken. Geen enkel draadje van de vlecht mag de binnenader raken – dat is de meest voorkomende oorzaak van „gisteren werkte het nog".
Maak een druiplus: leid de kabel in een boog naar beneden onder de verbinding door voordat hij de muurdoorvoer in gaat. Regenwater loopt dan op het laagste punt weg in plaats van de connector in.
Wikkel de afgewerkte buitenverbinding in met zelfvulkaniserende tape, overlappend van onder naar boven, zodat de lagen aflopend water afweren. Pvc-isolatieband is hiervoor ongeschikt; dat laat na de eerste zomer los.
10. Wat te controleren als er geen signaal is
Helemaal niets: controleer eerst of de LNB spanning krijgt. De ontvanger voert 13/18 V door de coax – kortsluiting in de connector of een gebroken binnenader ziet er op de meter precies zo uit als een verkeerd uitgerichte schotel. Controleer daarna de elevatie en vervolgens de declinatie.
Wel signaal, maar sommige zenders ontbreken: dat wijst bijna altijd op de skew of op een marginale uitrichting. Meestal valt dan een heel polarisatievlak of de bovenste band weg.
Het beeld valt weg bij regen: de uitrichting klopt, maar zonder reserve. Stel bij naar het midden van het plateau; helpt dat niet, dan is de schotel te klein voor je locatie of is de spiegel vervormd.
Het werkte en nu niet meer: controleer in deze volgorde – water in de connector, gegroeide bomen, een door storm verschoven schotel, een defecte LNB. Een LNB gaat zelden helemaal stuk; meestal verliest hij één band.
Veelgestelde vragen
Hoe nauwkeurig moet een schotelantenne worden uitgericht?
Een schotel van 80 cm heeft een halfwaardebreedte van ongeveer 2°. In de praktijk verlies je vanaf circa 0,5° afwijking meetbaar signaalkwaliteit, en rond 1° wordt het bij slecht weer kritiek. Kleinere schotels zijn makkelijker te richten maar houden minder reserve over bij regen.
Kan ik de schotel uitrichten zonder meter?
Ja, met een ontvanger en een tv bij de schotel, of met een app die het signaalniveau van de ontvanger toont. Het duurt langer omdat de weergave trager reageert. Zonder enige signaalterugkoppeling is een bruikbare uitrichting niet mogelijk: de berekende hoeken brengen je in de juiste regio, de laatste tienden van een graad vind je alleen door te meten.
Waarom vind ik de satelliet niet terwijl de hoeken kloppen?
De drie meest voorkomende oorzaken zijn: de magnetische declinatie is genegeerd (het kompas wijst een paar graden ernaast), de mast staat niet loodrecht, of er is te snel gezwenkt zodat de ontvanger nooit kon inhaken. Controleer ook of de LNB überhaupt spanning krijgt.
Moet ik de LNB-skew echt instellen?
In Nederland en België ligt de skew voor Astra 19,2° Oost rond 9° tot 11° – klein, maar niet te verwaarlozen. Een verkeerde skew laat de tegenovergestelde polarisatie doorlekken en kost signaalkwaliteit. Ligt je locatie verder oostelijk of westelijk van de lengtegraad van de satelliet, dan wordt de hoek duidelijk groter.
Welke schotelmaat heb ik nodig?
In de Lage Landen volstaat 60 tot 80 cm voor stabiele ontvangst van Astra 19,2° Oost; 80 cm geeft merkbaar meer reserve bij zware regen. Aan de rand van de footprint of voor zwakkere satellieten zijn grotere diameters nodig.
Hoe lang duurt het uitrichten?
Met voorbereide hoekwaarden, een loodrechte mast en een meter is één tot twee uur realistisch, waarvan het grootste deel opgaat aan montage en bekabeling. De eigenlijke fijnafstelling duurt bij goede voorbereiding zelden langer dan een kwartier.
Zie ook
- Bereken de hoeken voor je locatie – Azimut, elevatie en skew voor elk adres – met AR-camera, kompas en kaart.
- Alle handleidingen – Meer antwoorden over satellietontvangst en de SatFinder-app.